De meeste mensen geven de voorkeur aan traditionele architectuur

Smaak is subjectief. Maar als het gaat om architectuur is er een verrassende mate van overeenstemming.

In de twintigste eeuw vond er een radicale verandering plaats in de wereldwijde architectuur. De modernistische beweging ontstond in de jaren 1920 en gaf de voorkeur aan onversierde ontwerpen, het gebruik van moderne materialen zoals staal en beton, en het loslaten van de complexe visuele patronen van traditionele planning en gevelontwerp. Tegen de jaren 1950 was het modernisme dominant geworden in de wereldwijde architectuur. Hoewel het sindsdien is geëvolueerd en gefragmenteerd, blijven stijlen met een overwegend modernistisch karakter tot op de dag van vandaag dominant.

Zowel voorstanders als tegenstanders van modernistische architectuur zijn het erover eens dat het niet breed gewaardeerd wordt. In 1940 merkte de Engelse architectuurhistoricus John Summerson op dat het publiek het 'niet kan begrijpen, nooit zal begrijpen en haat als gif'. In 1977 kondigde de Duits-Amerikaanse architectuurcriticus Wolf von Eckardt voortijdig de dood van het modernisme aan, met de bewering dat 'niemand erom rouwde. Het was nooit populair.' Hoewel de jonge Summerson sympathiseerde met het modernisme en von Eckardt het afkeurde, maakten zij dezelfde observatie over de positie ervan bij het grote publiek.

Hadden Summerson en von Eckardt gelijk? In recente jaren zijn onderzoekers dit systematischer gaan bestuderen met behulp van visuele voorkeursmetingen (visual preference surveys). In hun eenvoudigste vorm is dit een vergelijking tussen twee afbeeldingen met een neutrale, onbevooroordeelde vraag, zoals: 'Welke geeft u de voorkeur?' Online panels en betere beeldbewerking hebben de kosten hiervan in de afgelopen decennia verlaagd. Sinds de jaren 90 zijn er ongeveer twintig correct bemonsterde visuele voorkeursmetingen uitgevoerd naar populaire architecturale voorkeuren.

Vele van deze onderzoeken zijn Brits, mede omdat de steun van de Koning voor traditioneel urbanisme een bijzonder levendig debat over architectuur in Groot-Brittannië heeft aangewakkerd. Visuele voorkeursmetingen zijn echter ook uitgevoerd in de Verenigde Staten, Canada, Nederland, Portugal en Chili, en de internationale interesse in deze methode groeit.

Vroege visuele voorkeursmetingen waren vaak methodologisch primitief. Een veelvoorkomende beperking was dat ze reacties maten op afbeeldingen die op veel vlakken verschilden, zoals de hoek van de foto of het weer. Hierdoor was het onmogelijk om te stellen dat enkel de architecturale stijl het verschil in waardering veroorzaakte. In de loop der tijd is hier veel aan gedaan door betere bewerkingstechnieken te gebruiken om meer gecontroleerde beeldparen te creëren. In de afgelopen jaren heeft kunstmatige intelligentie de tijd en kosten voor het produceren van vergelijkbare afbeeldingen sterk verminderd, waardoor betrouwbare grootschalige visuele voorkeursmetingen veel haalbaarder zijn geworden.

In elk uitgevoerd onderzoek gaf meer dan 60 procent van de respondenten de voorkeur aan traditionele architectuur, waarbij sommige onderzoeken een steun van meer dan 85 procent lieten zien. Deze voorkeur wordt verrassend genoeg niet beïnvloed door leeftijd, geslacht, politiek, sociaaleconomische klasse of nationaliteit. De resultaten zijn niet definitief, maar suggereren dat er aanzienlijke publieke onvrede is over de dominante trends in de moderne architectuur. Misschien waren de anekdotische indrukken van Summerson en von Eckardt uiteindelijk toch niet zo ver naast de waarheid.

Het ontstaan van visuele voorkeursmetingen

Het verhaal van visuele voorkeursmetingen begint in 1979, in het kleine stadje Metuchen, New Jersey. Metuchen wilde data over de lokale opinie om het ontwerpbeleid te sturen en gaf daarom een studie in opdracht aan de Rutgers University Urban Design Studio. Het team van Rutgers maakte honderden foto's van straten en gebouwen in Metuchen en vroeg lokale bewoners deze tijdens een grote openbare bijeenkomst te beoordelen. De inwoners van Metuchen gaven overwegend de voorkeur aan straatgezichten met een traditioneel gevoel van een klein stadje, gedetailleerde en gevarieerde gevels, en een beloopbare, menselijke schaal. Ze hielden niet van blinde, kenmerkloze gebouwen en brede, door auto's gedomineerde straten.

Deze voorkeuren lijken misschien voor de hand liggen; een traditionele hoofdstraat is natuurlijk prettiger om doorheen te lopen dan een snelweg met zes rijstroken. Maar destijds was de mate van consensus verrassend. Het Metuchen-onderzoek was het eerste dat aantoonde dat mensen de neiging hebben tot voorspelbare, gedeelde reacties op verschillende gebouwde omgevingen, reacties die niet puur een kwestie van individuele smaak zijn. Het onderzoeksteam gebruikte de resultaten om aanbevelingen te doen voor de verbetering van straatbeelden, gevelrenovaties en multifunctionele woningbouw, waarop Metuchen later een ontwerpcode baseerde.

Bijschrift: De Metuchen-studie uit 1979. Deze straten scoorden respectievelijk -4.19, -1.38 en +5.07. Bron: Anton C Nelessen.

Het Metuchen-onderzoek was baanbrekend, maar had duidelijke beperkingen. Ten eerste zijn deelnemers aan openbare bijeenkomsten geen representatieve steekproef van de lokale bevolking. Ten tweede boden de gebruikte afbeeldingen geen perfect gecontroleerde vergelijking, waardoor het moeilijk was om precies te weten waar respondenten op reageerden. Hielden mensen niet van de breedte van de straat, de lage verhouding tussen gebouwhoogte en straatbreedte, de stijl van de gevels, het gebrek aan groen, de aanwezigheid van snel rijdende auto's, of iets anders? Op basis van individuele afbeeldingen is dat niet vast te stellen, hoewel de hoeveelheid afbeeldingen in het onderzoek ervoor zorgde dat er robuuste patronen ontstonden.

De Britse 'cottage industry' in architecturale visuele voorkeursmetingen kwam op gang eind jaren 80, beginnend met een studie uit 1987 door David Halpern, een student aan Cambridge die later een vooraanstaand gedragspsycholoog werd. Halpern liet vrijwillige studenten foto's zien van twaalf personen en twaalf gebouwen en vroeg hen de aantrekkingskracht te beoordelen. Studenten van verschillende opleidingen hadden vergelijkbare meningen over welke gezichten het meest aantrekkelijk waren. Maar toen het op gebouwen aankwam, hadden architectuurstudenten wild verschillende meningen dan studenten van andere disciplines. Sterker nog, hun voorkeuren waren vaak tegenovergesteld.

Bijschrift: Dit gebouw werd het laagst gerankt van de twaalf door niet-architectuurstudenten in de studie van Halpern, maar was het tweede favoriete gebouw van architectuurstudenten. Bron: David Halpern.

Halpern's studie had duidelijke beperkingen: de steekproef was klein en niet representatief voor de algemene bevolking, en de beelden waren imperfect gecontroleerd. Toch is het een kleine klassieker geworden. Sindsdien zijn soortgelijke studies uitgevoerd in Canada (2001), Groot-Brittannië (2015) en Chili (2019), die telkens een grote divergentie lieten zien tussen de professionele opinie en die van leken wat betreft de visuele aantrekkingskracht van verschillende architecturale stijlen.

Het eerste correct bemonsterde visuele voorkeursonderzoek volgde in 1998, uitgevoerd door het British Market Research Bureau voor een brancheorganisatie genaamd het Popular Housing Forum. Britse respondenten kregen kaartsets te zien met nieuwbouwwoningen in een bepaalde stijl. Hoewel de foto's imperfect gecontroleerd waren, compenseerde het gebruik van meerdere foto's per groep dit tot op zekere hoogte. 94 procent van de potentiële kopers van nieuwbouw gaf aan dat ze liever in een van de meer traditionele opties zouden wonen, en 92 procent van de overige respondenten gaf aan dat ze liever hadden dat een van de meer traditionele opties in hun buurt gebouwd zou worden.

Bijschrift: Dit vroege onderzoek presenteerde respondenten 'kaartsets' van nieuwbouwwoningen. Van links naar rechts werden de sets verkozen door respectievelijk 2 procent, 37 procent, 28 procent en 2 procent van de potentiële kopers. Bron: Robert Adam.

In de daaropvolgende decennia werden er meer visuele voorkeursmetingen in opdracht gegeven door academische onderzoekers, architectenbureaus, denktanks en overheidsinstanties. De meeste van deze studies werden uitgevoerd door professionele onderzoeksbureaus, waardoor de respondenten grotendeels representatief waren voor de algemene bevolking. Echter, bijna al deze onderzoeken gebruikten nog steeds imperfect gecontroleerde beeldparen, wat het lastig maakte om zeker te weten of reacties werden veroorzaakt door verschillen in architecturale stijl of door andere verschillen tussen de afbeeldingen. Bovendien zijn de originele afbeeldingen uit sommige oudere studies verloren gegaan.

Voor zover de bevindingen betrouwbaar zijn, laten ze zien dat hoewel een minderheid van het publiek houdt van grensverleggende moderne architectuur, de meerderheid de voorkeur geeft aan traditionele gebouwen. Verschillende groepen reageren in redelijk consistente patronen op architecturale stijlen: waar demografische gegevens zijn verzameld, lijkt er een zwakke tendens te zijn dat mannen en jongere mensen meer openstaan voor modernistische architectuur vergeleken met vrouwen en oudere mensen. Voor zover we uit deze onderzoeken kunnen opmaken, geven echter alle demografische groepen de voorkeur aan traditionele stijlen; de voorkeur is simpelweg sterker uitgesproken in sommige groepen dan in andere. Dit geldt niet alleen voor huizen, maar ook voor ziekenhuizen en commerciële en civiele gebouwen.

Bijschrift: Het stadhuis van Bristol (links) kwam als eerste uit de bus en het stadhuis van Shropshire (rechts) als laatste in een onderzoek naar tien stadhuizen in opdracht van een Britse denktank. Bron: Alamy.

Een van de beste vroege visuele voorkeursmetingen werd in 2009 in opdracht gegeven door het Britse architectenbureau ADAM Architecture. Vier echte commerciële gebouwen werden getoond vanuit overeenkomstige perspectieven en weersomstandigheden: twee in traditionele stijlen en twee in modernistische stijlen. Beide modernistische gebouwen hadden prijzen gewonnen, wat suggereerde dat het uitzonderlijk goed ontworpen voorbeelden waren. Toch gaf slechts 23 procent van de respondenten de voorkeur aan deze gebouwen, tegenover 77 procent voor de twee traditionele ontwerpen.

Bijschrift: Vier afbeeldingen van echte commerciële gebouwen uit een onderzoek in 2009. Afbeelding twee en drie werden verkozen door 77 procent van de respondenten, tegenover 23 procent voor afbeelding één en vier. Bron: ADAM Architecture.

De bevinding van David Halpern dat architectuurstudenten een andere smaak hebben dan studenten van andere richtingen, werd bevestigd door later onderzoek. De Portugese onderzoeker Luis Balula voerde tussen 2008 en 2009 een visuele voorkeursmeting uit in de kleine stad Évora. Balula splitste de resultaten op in experts (architecten, planners, projectontwikkelaars, academici) en niet-experts. Beide groepen gaven hogere scores aan oudere gebouwen, maar er was meer divergentie bij moderne ontwerpen. Zo hadden niet-experts een positieve visie op de pastiche-mediterrane groep woningen (zie figuur 7), terwijl de experts over het algemeen negatief waren. Omgekeerd werd het modernistische appartementencomplex negatief beoordeeld door de niet-experts, maar positief door de experts.

Bijschrift: Luis Balula onderzocht zowel experts als niet-experts. De verschillende omgevingsomstandigheden betekenen dat dit geen directe A/B-test is, maar het verschil in relatieve rangschikking blijft opvallend. Bron: Luis Balula.

Misschien verklaart het verschil tussen de smaak van leken en experts waarom de voorkeur van het publiek voor traditionele architectuur af en toe een verrassing was voor onderzoekers. Twee visuele voorkeursmetingen in 2002 en 2005, in opdracht van de Commission for Architecture and the Built Environment (CABE), een onafhankelijk Britse overheidsinstantie, vonden beide een lage steun voor moderne stijlen. 'De aandacht van de Moderne Beweging voor licht, zon en grote ramen zou een moderne stijl een duidelijk voordeel moeten geven ten opzichte van traditionelere ontwerpen, maar dit voordeel lijkt niet begrepen te zijn door woningkopers', merkt het rapport uit 2005 spijtvol op.

De gouden eeuw van visuele voorkeursmetingen

Hoewel de onderzoeken van de jaren 70 tot de jaren 2010 een vrij duidelijk beeld gaven van de consistente voorkeur voor traditionele architectuur, zijn ze geen perfect bewijs. Imperfect gecontroleerde vergelijkingen en soms zelfgeselecteerde panels betekenen dat hun bevindingen kunnen worden en vaak zijn betwist.

In de afgelopen vijf jaar is het bewijs echter snel versterkt. Technologische verbeteringen, met name kunstmatige intelligentie, hebben de kosten van beeldbewerking verlaagd, waardoor afbeeldingen in onderzoeken veel beter gecontroleerd kunnen worden. Tegelijkertijd heeft een hernieuwd publiek debat over architectuur gezorgd voor een toename in het aantal visuele voorkeursmetingen, vaak geleid door gespecialiseerde onderzoeksgroepen zoals Create Streets in Groot-Brittannië of The Aesthetic City in Nederland. Er is een soort 'gouden eeuw' van visuele voorkeursmetingen aangebroken, met een toenemend aantal studies van ongekende hoge kwaliteit.

Misschien wel de beroemdste visuele voorkeursmeting ooit werd in 2020 in opdracht gegeven door de National Civic Art Society, gericht op federale gebouwen en rechtbanken in de Verenigde Staten. Respondenten moesten een keuze maken tussen zeven paren foto's van bestaande gebouwen, waarbij zoveel mogelijk werd gecontroleerd op massa (de vorm en het volume van een gebouw) en context. In elk geval gaven enorme meerderheden de voorkeur aan de traditionele ontwerpen, met een gemiddelde van 72 procent over de zeven vragen.

Bijschrift: Het gebouw links werd verkozen door 81 procent van de respondenten, het gebouw rechts door 19 procent. Bron: National Civic Art Society.

Zoals in andere studies is het meest opvallend hoe weinig de duidelijke voorkeur voor traditionele ontwerpen werd beïnvloed door demografie. Er was bijna geen correlatie met politieke voorkeur: 70 procent van de Democraten en 73 procent van de Republikeinen gaven de voorkeur aan de traditionele ontwerpen. Vrouwen waren iets meer pro-traditioneel dan mannen (77 procent tegenover 67 procent). 75 procent van de witte Amerikanen gaf de voorkeur aan traditionele architectuur, tegenover 65 procent van de Hispanic-Amerikanen en 62 procent van de zwarte Amerikanen. Er werd geen significante correlatie gevonden met inkomen of opleidingsniveau, en leeftijd was slechts een zwakke voorspeller: 77 procent van de 65-plussers gaf de voorkeur aan traditionele architectuur tegenover 68 procent van de 18- tot 34-jarigen.

Veel moderne visuele voorkeursmetingen zijn uitgevoerd in Groot-Brittannië. In 2023 stelde het kleine bureau Apollodorus Architecture een klassiek alternatief voor een nieuw rugbystadion in Bath, omdat ze teleurgesteld waren in het utilitaire ontwerpvoorstel. Create Streets gaf vervolgens een peiling in opdracht om de publieke opinie over de twee ontwerpen te meten, waarbij de context en de render-stijl constant werden gehouden. Respondenten gaven de voorkeur aan het traditionele ontwerp met 74 procent tegenover 26 procent. Er was bijna geen variatie per sociale klasse en slechts bescheiden variatie per politieke partij. Ouderen waren, zoals in de meeste studies, traditioneler dan jongeren, maar zelfs 18- tot 24-jarigen gaven de voorkeur aan het traditionele ontwerp (61 tegen 39 procent).

Bijschrift: Rivaliserende ontwerpen voor een stadion in Bath. Het klassieke ontwerp kreeg 74 procent steun tegenover 26 procent voor het modernistische ontwerp. Bron: Apollodorus Architecture.

Dezelfde trend is zichtbaar bij infrastructuur. High Speed 2 (HS2) is een spoorlijn in aanbouw tussen Londen en Birmingham. Create Streets voerde een visuele voorkeursmeting uit waarin de geplande betonnen viaducten van HS2 werden vergeleken met een ontwerp met bakstenen bekleding, dat de alomtegenwoordige Britse spoorviaducten uit de negentiende eeuw imiteert. Ook hier werden context en render-stijl constant gehouden. Het onderzoek toonde een duidelijke voorkeur voor het ontwerp met rode baksteen (69 tegen 28 procent). Deze resultaten varieerden slechts bescheiden langs demografische lijnen: de steun voor het bakstenen viaduct was iets hoger bij vrouwen dan bij mannen (71 versus 66 procent). Opvallend genoeg wees het onderzoek uit dat Labour-kiezers iets meer pro-traditioneel waren dan Conservatieven (72 tegen 69 procent) en jongere mensen meer dan oudere mensen (70 procent voor de jongste groep tegenover 64 procent voor de oudste).

Bijschrift: Ontwerpen voor een viaduct voor de High Speed 2-spoorlijn. Bron: Create Streets.

In 2025 kondigde Christ’s College Cambridge plannen aan voor een nieuw bibliotheekgebouw, ontworpen door Grafton Architects. Create Streets bereidde een tegenvoorstel voor met hetzelfde vloeroppervlak, gebruikmakend van de gotische stijl die traditioneel door de colleges in Cambridge wordt gehanteerd. In een onderzoek onder meer dan 2.000 Britse volwassenen gaf 71 procent de voorkeur aan het traditionele ontwerp, terwijl slechts 21 procent het oorspronkelijke voorstel verkoos. Net als bij het HS2-onderzoek bleef dit patroon consistent over alle demografische groepen.

Bijschrift: Ontwerpen voor een nieuwe bibliotheek bij Christ’s College, Cambridge. Bron: Create Streets.

Deze voorkeur wordt keer op keer gezien. De Britse retailer Marks and Spencer is van plan een gebouw uit de jaren 1920 in centraal Londen te slopen en te vervangen door een modern ontwerp. Samen met architect Francis Terry stelde Create Streets een alternatief plan voor met hetzelfde totale vloeroppervlak, waarbij de bestaande gevel behouden en uitgebreid zou worden. In een peiling onder 3.130 Britse volwassenen, waarbij context en render-stijl constant werden gehouden, bleek 79 procent het alternatieve voorstel te steunen en slechts 17 procent het origineel. Demografische gegevens tonen opnieuw weinig correlatie tussen architecturale smaak en andere kenmerken. Londenaren waren iets eerder geneigd het voorstel van Marks and Spencer te steunen dan het landelijk gemiddelde, maar gaven nog steeds de voorkeur aan het Terry-ontwerp (72 tegen 26 procent).

Bijschrift: Ontwerpen voor het Marks and Spencer-gebouw op Oxford Street, Londen. Bron: Create Streets.

Recentelijk voerde Create Streets een iets ander soort peiling uit voor een groot voorgesteld project in Londen genaamd Shoreditch Works. Dit project zou inhouden dat enkele naoorlogse magazijnen worden gesloopt en vervangen door veel grotere kantoorblokken in een stijl die put uit Victoriaanse commerciële architectuur en Art Deco.

Terwijl de meeste studies proberen alles te controleren behalve de architecturale stijl, waren de voorgestelde gebouwen in deze vergelijking drastisch hoger dan de bestaande. De gangbare opvatting is dat het publiek een hekel heeft aan hoogbouw, wat betekent dat dit onderzoek als 'bevooroordeeld tegen' traditionele architectuur zou kunnen worden gezien. Maar in elk geval gaven tussen de 76 en 78 procent van de respondenten de voorkeur aan het voorgestelde schema boven de bestaande situatie. Ook hier was de steun voor de voorstellen iets sterker onder jongere dan onder oudere respondenten.

Bijschrift: In de Shoreditch Works-enquête werd gevraagd: 'Hier zijn twee alternatieve ontwerpen voor dezelfde straat in een stadscentrum. Als u moest kiezen, en alle andere zaken gelijk blijven, welke van de twee straten heeft u dan een voorkeur?' Bron: Create Streets.

Continentalen lijken traditionele architectuur met vergelijkbare marges te prefereren. In 2025 voerde de Nederlandse groep The Aesthetic City een visuele voorkeursmeting uit naar architecturale voorkeuren in Nederland. In een onderzoek waarbij respondenten moesten kiezen tussen acht paren afbeeldingen, bleek een voorkeur voor traditionele gebouwen die varieerde van 67 tot 92 procent, met een gemiddelde van 82 procent. De Nederlandse studie is opmerkelijk omdat deze laat zien hoe nuttig kunstmatige intelligentie is bij visuele voorkeursmetingen. In bijna alle gevallen gebruikten ze een foto van een modernistisch gebouw en gebruikten vervolgens AI om het traditionele alternatief te creëren. Hierdoor konden de beeldparen zeer strak worden gecontroleerd op context, weer en massa.

Bijschrift: In een onderzoek in Nederland door The Aesthetic City kreeg het gebouw links 8 procent steun en het gebouw rechts 92 procent. Bron: The Aesthetic City.

Het peilen van de publieke smaak

De belangrijkste vraag bij elke visuele voorkeursmeting naar architecturale stijl is of de resultaten generaliseerbaar zijn. Sceptici voeren vaak aan dat wanneer het publiek een specifiek traditioneel ontwerp verkiest boven een modernistisch ontwerp, dit alleen komt omdat dat specifieke modernistische ontwerp zwak is. Een beter modernistisch gebouw, zo stellen zij, zou de populariteit van het traditionele ontwerp kunnen evenaren of overtreffen. Het vermoeden van een gestuurde keuze van afbeeldingen wordt versterkt door het feit dat de meeste visuele voorkeursmetingen zijn besteld door organisaties die sympathiseren met traditionele architectuur, met slechts een handvol tegenvoorbeelden zoals de vroege CABE-studies.

Desalniettemin is het opvallend dat elk tot nu toe onderzocht beeldpaar hetzelfde resultaat heeft opgeleverd. Visuele voorkeursmetingen naar architecturale stijl staan nog in de kinderschoenen: er zijn waarschijnlijk slechts drie dozijn volledig gecontroleerde beeldparen gepolld, en deze kwalitatief hoogwaardige studies hebben alleen plaatsgevonden in Groot-Brittannië, Nederland en de Verenigde Staten. Over tien jaar, wanneer we onze bewijslast hebben verdrievoudigd of verviervoudigd, zullen we conclusies met veel meer zekerheid kunnen trekken.

Voor nu is de voorlopige conclusie dat 70 tot 90 procent van de bevolking een duidelijke voorkeur heeft voor traditionele architectuur. Deze voorkeur is verrassend ongewijzigd door andere demografische kenmerken. Mannen, jongere mensen en misschien rijkere mensen zijn iets eerder geneigd moderne architectuur te prefereren, maar deze trends zijn niet sterk. Elke demografische groep geeft de voorkeur aan traditioneel ontwerp: mannen en vrouwen, oud en jong, rijk en arm.

Als dit waar is, komt er een grotere puzzel in beeld. Bijna elke architectuurschool ter wereld doceert uitsluitend breed modernistische stijlen, en waarschijnlijk oefenen meer dan 99 procent van de architecten uitsluitend in deze stijlen. In Groot-Brittannië is er sinds de jaren 50 nauwelijks een publieke opdracht in traditionele stijl geweest, en slechts een fractie van de commerciële en institutionele opdrachten. Behalve in de markt voor particuliere woningbouw zijn traditionele stijlen zeven decennia lang vrijwel uitgestorven. Hoewel dit in sommige gevallen kan worden verklaard door anti-traditionele planningsregels, is de brede trend nog steeds evident in regio's waar de systemen voor ontwikkelingscontrole stilistisch neutraal zijn.

Met andere woorden: er lijkt een mysterieuze divergentie te bestaan tussen de verklaarde en de geopenbaarde voorkeuren van mensen. Waarom geven we opdrachten voor stijlen waar we zeggen dat we een hekel aan hebben? Er zijn verschillende interessante mogelijkheden, maar het onderzoek daarnaar zal moeten wachten tot de toekomst.

***

Robert Kwolek is senior architecturaal ontwerper bij Create Streets.